Home Orgel Restauratie 1e fase
Restauratie 1e fase

Het orgel is sinds 1991 op de monumentenlijst geplaatst mede doordat 80% van het pijpwerk nog origineel is.
Dit gaf een nieuwe dimensie aan de herstelplannen omdat sinds 1954 toch veel aan het orgel is gewijzigd betreffende de dispositie. Ook is er weinig respect geweest voor de oudste onderdelen van het instrument omdat opvattingen in die tijd resulteerde in het toepassen van veel fabrieksmatig geproduceerd materiaal. Dit was het industriële bouwproces wat veel oude orgels tot de ondergang bracht. Een wat nu blijkt een verkeerde toepassing van materialen die stilistisch gezien niet bij het oude werk passen. Dit is hoofdzakelijk in 1977 tot 1978 het geval geweest. Eerdere restauraties waren nog een serieuze benadering in technisch opzicht zoals materiaal en pijpwerk zo goed mogelijk reconstrueren. In 1977 was hier totaal geen sprake van terwijl dit toch bij meerdere orgels op vergelijkbare wijze is toegepast. Denk eens aan het monumentale Hinsch/Schnitgerorgel in de Martinikerk te Groningen die zelfs geëlektrificeerd werd.

speeltafel_lowres

Zo is ook de originele speeltafel verdwenen. De manualen zijn vervangen door een standaard fabrieksmanuaal met pedaal waarbij de orgelkas op maat is gemaakt en afgewerkt met vurenhouten plaatwerk. Ook is het registermechaniek vervangen door een metalen gelagerd systeem.

 

Ook dacht men in die tijd dat op een orgel alle stijlen van muziek gespeeld moesten kunnen worden door toepassing van veel registers ,die niet in de oorspronkelijke dispositie staan. Men dacht dat er een multifunctioneel orgel was ontstaan. Het tegendeel is echter gebleken. Het orgel is vanwege de sterk aangetaste oorspronkelijke klankschoonheid en de daarmee verdwenen artistieke ziel eigenlijk voor geen enkele stijl meer geschikt. Dat het orgel zelfs nu nog zo goed klinkt is te danken aan het kwaliteit van het oude pijpwerk uit 1847.

De hoofdwindlade werd in 1977 ook voorzien van een beweegbare bodem als luchtvoorraad. De oude spaanbalgen zijn toen verdwenen. Deze worden echter weer origineel nagemaakt zodat door een juiste windvoorziening ook restauratie van het oude pijpwerk weer mogelijk wordt.
Het orgel had vanaf het begin spaanbalgen die het instrument voldoende lucht gaven. In 1980 werden deze gesloopt vanwege ruimtegebrek en vanwege het feit dat de pedaalkast vergroot moest worden door toevoegen van het pedaalregister, bazuin 16 vt.
Beweegbare bodems werden in die tijd ook veel toegepast. Dat later problemen ontstonden met het op stemming houden van het oude pijpwerk is aan voorbij gegaan. In de eerste fase van de restauratie die nu wordt afgerond zal door de gereconstrueerde windvoorziening dit probleem grotendeels worden verholpen en kan het pijpwerk in de tweede fase worden gerestaureerd.

De oorspronkelijke dispositie bevatte geen kwinten en tertsen alleen 16-8-4-2-1 en mixtuur. Dit zien we wel meer in de periode rond 1820 deze stijlperiode wordt de Biedermeier genoemd dit was n.l. de reactie op het scherp en hard klinkende barokke orgel. Men wilde dat de orgelklank rustgevend zou zijn en niet al te veel de aandacht op zou eisen.