Home PKN Jacobuskerk Preken 25 december 2011 (Johannes 1:1-14) - Ds Hans Katerberg
25 december 2011 (Johannes 1:1-14) - Ds Hans Katerberg Afdrukken

Lieve mensen van God,

Om te beginnen een vraag: weet u nog iets van uw geboorte? Nee, hè? Terwijl u er toch zelf bij was. Flauwe vraag natuurlijk. Maar inderdaad: alles wat u en ik weten over die adembenemende verhuizing van de warmte van de moederschoot naar dat overweldigende licht met allerlei rumoer van stemmen daarbij, dat hebben wij van horen zeggen. Ik zal vast geprotesteerd hebben, gekrijst en getrappeld, en u ook, maar het hielp niet: dit meest beslissende en ingrijpende moment uit je leven moet je sprakeloos ondergaan en doorkomen, er is geen houden aan. Maar je weet er niets meer van, behalve van horen zeggen.

Als ruim tweeduizend jaar geleden een paar tijdgenoten van Jezus ervoor gaan zitten om zijn geboorteverhaal te vertellen, dan weten die ook niets. Geen van hen is erbij geweest, ook zij moeten het hebben van horen zeggen. Sinds die geboorte zijn zelfs tientallen jaren verlopen, en, zo gaat dat met mensen, naarmate het verleden verder weg komt te liggen, wordt de verbeelding sterker en neemt de behoefte om te idealiseren toe. Zeker in dit geval, omdat je weet wat voor een bijzonder mens dit kind later is geworden. Het gaat er dan niet meer om, om te vertellen of iets is gebeurd, en zo ja, wat, maar het gaat erom datgene wat klaarblijkelijk heeft plaatsgevonden aanschouwelijk te maken en te verdichten of te verbeelden. Dat doet ieder mens die iets wil overbrengen van wat hem of haar overkomen is: die verhaalt niet wat er precies gebeurd is, maar wat hij of zij zelf beleeft en ervaart.

Zo vertellen Mattheüs, Lukas en Johannes alle drie over de geboorte van Jezus en wel op een totaal verschillende manier en in elk geval ‘fabelachtig’, in de goede zin van het woord. Ze verzinnen niet iets, maar ze versieren, omkransen en bewimpelen datgene wat gebeurd moet zijn. Ze zetten decorstukken neer, halen het gordijn op en schikken wat gebeurd is tot een verhaal dat gekleurd is door hun eigen inzichten en emoties. Een verhaal dat sterk bepaald is ook door hun latere ervaringen met Jezus. En ze willen er wat mee: ze willen dat hij op hun manier wordt begrepen door de mensen. Vertellen, goed vertellen is als bloemsierkunst, zei iemand. En het luisteren naar zo’n verhaal vereist een soort van stereo-gehoorapparaat, om achter en door de decorstukken heen te vermoeden, waar het eigenlijk over gaat.  

We laten vanmorgen Mattheüs en Lukas liggen. De prachtige verbeeldingen die zij hebben gemaakt passen beter in de kerstnacht. Markus heeft, zoals u misschien weet, helemaal geen geboorteverhaal. Het kan ook best zonder, moet die hebben gedacht. Wij kijken dus naar Johannes, de discipel van Jezus die genoemd wordt als ‘de leerling die Jezus liefhad’ en die een soort van boezemvriend van hem was. Johannes schrijft geen verhaal over de geboorte, maar componeert een ouverture: een hymne, een lofzang en gaat zo alle schijn van geschiedschrijving uit de weg. Hij moet hebben gedacht: hoe kan ik de wording van Jezus, van deze uitzonderlijke mens duiden, beschrijven in woorden die hem recht doen? Zó uitzonderlijk is Jezus voor Johannes dat hij zijn vriend neerzet als een compleet nieuwe, fantastische, scheppingsdaad van de Eeuwige. Welnu, het eerste woord dat in het scheppingsverhaal van Genesis klinkt is het woord ‘Licht!’. ‘Er zij licht!’; ’Jongens, doe het licht eens aan!’ Dat moest, want zonder licht is er immers niets te zien en valt er ook niet te leven. Daarom was licht de eerste scheppingsdaad van God, het fundament van alles. Dit licht van het begin, dit fundamenteel noodzakelijke licht, brengt Johannes in verband met Jezus, alsof hij zeggen wil: zo fundamenteel als het licht is voor al wat leeft, precies zo is dat ook Jezus. Grondvoorwaarde van waar leven, de bakermat ervan. Ja, hij ís het Licht, het ware Licht dat ieder mens verlicht, roept Johannes.

In Genesis wordt de toestand van vóór de schepping beschreven als chaos en duisternis. Duisternis, staat daar, duisternis lag over de oervloed. Maar duisternis, ja wat is dat eigenlijk? Is dat wel iets of is het juist niets? Wij weten tegenwoordig nog maar nauwelijks wat duisternis is. In de grote steden is dat heel erg, maar ook op het platteland is in ons kleine landje bijna geen echte duisternis meer voorhanden: alles is zó verlicht! Er zijn maar weinig plekken waar het nog echt helemaal donker is ’s nachts. Licht lijkt vanzelfsprekend: overal staan lichtbronnen, ongelofelijk veel. Want licht heeft altijd een bron, een lichtbron. Licht heeft ook snelheid, een enorme snelheid zelfs, de hoogste snelheid van alles wat zich verplaatst. Al wordt daar op ’t ogenblik trouwens weer aan getwijfeld. Maar goed: licht ís iets, duisternis is niets. Het heeft geen snelheid. Het beweegt niet. Het heeft geen bron.

In die duisternis brengt de Schepper een keer door het licht te roepen. En net als het licht van de schepping schijnt ook dit Licht, Jezus, in de duisternis. En bij Johannes is ‘duisternis’ méér dan alleen maar de afwezigheid van licht. Duisternis is in dit evangelie een ander woord voor kwaad. Het is niet: niet kunnen zien, nee, het is niet willen zien. Het is geblindeerd zijn voor het goede. Het is het welsprekende niet willen geloven. Duisternis is het verzamelwoord voor al het kwaad dat het leven vergalt en vernielt.  Johannes gebruikt de taal van Genesis, van de wordingsgeschiedenis van de aarde als een beeld voor de wordingsgeschiedenis van deze uitzonderlijke mens, Jezus. Die door zijn licht te laten schijnen een menselijke samenleving werkelijk mogelijk maakt. Johannes zegt bijna terloops: hij is het ware licht. Het ware? Ja het ware. Er is namelijk ook veel vals licht. Weet u wanneer je spreekt van vals licht? De term vals licht wordt gebruikt voor licht dat bijvoorbeeld in het water schijnt. Objecten die zich in dat water bevinden zijn niet waar je denkt dat ze zijn. Probeer maar eens een vis te pakken die je stil in het water ziet liggen! Afgezien nog van de vraag of je wel snel genoeg bent, je vind hem niet op de plek waar je hem dacht te zien: het water breekt het licht en daarom heet het vals. Er is veel vals licht in deze wereld. Veel zaken die het leven licht lijken te maken, maar die de kern van de zaak precies missen  en daardoor op den duur diepe duisternis teweeg brengen.

Ik noem u een paar willekeurige voorbeelden van vals licht: In de eerste plaats is dat het vele reservelicht dat massaal wordt ontstoken en waardoor het letterlijk bijna niet meer donker wordt in ons land. Reservelicht: daarmee bedoel ik het licht van de zon dat is opgeslagen in fossiele brandstoffen, diep weggeborgen in de aarde en dat thans met een enorme snelheid wordt opgesoupeerd. Zó snel, dat zelfs het directe zonlicht door de luchtvervuiling wordt verduisterd. We denken met z’n allen misschien dat dit licht kenmerkend is voor onze welvaart. Ja, misschien wel. Maar wat betekent dat voor ons nageslacht, als het straks op is? Je moet niet meer uitgeven dan er binnenkomt is het devies van onze regering. Mooi principe. Ze zouden die zuinigheid ook eens moeten gaan toepassen als het gaat om het aanboren van dit eeuwenoude reservelicht van de zon.  

Een tweede vorm van vals licht komt in de vorm van de wetenschap. In de filosofie bijvoorbeeld, die maar zoekt en zoekt naar de dingen achter de dingen. Naar de zinvolle samenhang, naar het wezen, naar de oorzaak van alles wat is.  De natuurkundewetenschap ook, die dingen technisch ontrafelt of in elkaar steekt. Daar is niks mis mee, dat is misschien best leuk, maar het wordt gauw vals licht als mensen er hun hóóp op vestigen. De wetenschap schenkt geen leven, maakt het samenleven van mensen hier en daar vast gemakkelijker, maar niet beter, niet waarachtiger en zeker niet eerlijker.

Een derde vorm van vals licht is een geloof, een godsdienst, die de mensen doet verlangen naar de hemel, naar het hiernamaals na de dood. Dat moet je niet willen, daar ben je niet op gebouwd. Niemand heeft ooit God gezien, zegt Johannes. En dat is maar goed ook. Wie te lang in de zon kijkt raakt verblind. De mens verdráágt de Lichtbron God niet. Hij heeft al moeite genoeg met de ware mens te verdragen, ik bedoel die mens, Jezus, die nog het meest aan de Eeuwige Bron van Licht doet denken. De aarde is de plaats van de mens en die aarde wordt van ondergeschikt belang als hij teveel zijn blik richt op de hemel, en daar naar toe wil. Dan kan immers allerlei duisternis worden veronachtzaamd en gebagatelliseerd. Kindermisbruik bijvoorbeeld. En mensenhandel. Handel in armoede en honger. Later in de hemel, ach dan zal het allemaal goed worden, is de oude opiumwet die generaties van gelovigen in bedwang heeft gehouden. Vals licht is dat, hemel- en hiernamaalsgeloof.

Vals licht is in de vierde plaats tenslotte, en dan komen we bij de moderne christen- roepen dat het allemaal begint met daden, met actie. Geen woorden maar daden, alsof wij het allemaal moeten doen. Alsof het van óns afhangt, de vrede op aarde van de kerstnacht. Dan wordt het licht der wereld een ondraaglijke zware last, ja niet te tillen. En dat kan toch niet de bedoeling zijn: licht moet het leven toch lichter, vrolijker en juist draaglijker maken in plaats van zwaarder? Waar geloof de mensen hoe dan ook knecht of bang of zwaar maakt, daar is sprake van vals licht. Daar is Christus, de lichtmaker vervalst.

Wat dan het bijzondere is van Christus, het ware licht? Jesaja zegt van dit licht van God dat het mensen troost: mensen die neer willen gaan zitten bij de puinhopen van wat eens hun stad was. Mensen worden vrij gekocht, worden verlost van zware druk Johannes is degene die van God zegt dat Hij liefde is. God is liefde. Liefde in de vorm van mededogen, barmhartigheid, genade. Nee, geen liefde die mensen hun verantwoordelijkheid afneemt. Die ze met teveel zorg overlaadt en lui maakt. Dat is geen liefde. Verstikkende zorg maakt mensen niet groot maar houdt ze klein. Liefde, ware liefde zet mensen op de been. Loopt niet voor ze aan, maar leert ze zelf lopen. Liefde spreekt mensen moed in, spreekt ze aan op hun eigen kracht. Liefde oordeelt niet, maar spreekt goed van mensen. Liefde zegt, God zegt: jij mag er zijn, jou wil Ik kennen, jij bent de moeite waard. Liefde maakt mensen groot want dat is de ware troost en precies dát doet Jezus. En daarom is hij voor Johannes hét licht, het ware Licht. Want waar dat gebeurt, waar kleine mensen groot worden gemaakt, daar ziet de wereld er ineens een heel stuk beter uit. Lichter!

Dit licht, deze liefde is niet klein te krijgen, weet Johannes. De duisternis, waaronder de verblinding van het valse licht, overweldigt hem niet. Zeker, waar geroepen wordt, toen en nu: ‘weg met hem’, bréékt het licht. In bloedrode kleuren valt het uiteen en dan wordt het even heel donker. Maar na drie dagen blijkt het licht zich te hebben uitgezaaid in mensen. En sindsdien schijnt het onophoudelijk, soms zwak, dan weer sterk. Natuurlijk, er zijn mensen die alles willen, alles licht. Die het niet verdragen dat het duister nog zoveel slachtoffers maakt. Die geen genoegen nemen met een klein beetje licht, nu hier dan daar. Dat ís ook bijna onverdraaglijk, de zwakte soms van het goddelijk licht. Maar weg is het niet en steeds opnieuw breekt het in mensen door. En begint de schepping opnieuw.

Met kerst vieren we dus niet een kind in een kribbe, hoe aandoenlijk ook. Met kerst vieren we het weerbarstige geloof, tegen alle bierkaaien en journaals in, dat het ware licht, het licht van Gods liefde, niet weg te krijgen is. Het geloof dat een mens in staat is om het eeuwige duister om ons heen te verlichten, te verdonkeremanen, doorzichtig te maken en te helpen dragen. Zonder dat het zwaar maakt, integendeel: het stemt juist vrolijk en vreugdevol! En het nodigt dus uit om mee te gaan doen. Wat wij vieren? Dat er iemand is opgestaan, die ons dat heeft voorgedaan.

Moge het zo zijn.