Home PKN Jacobuskerk Preken 5 februari 2012 (Markus 1: 40-45 2 Koningen 4: 8-37) - Ds Hans Katerberg
5 februari 2012 (Markus 1: 40-45 2 Koningen 4: 8-37) - Ds Hans Katerberg Afdrukken
Lieve mensen van God,
Het meest kostbare wat mensen is toevertrouwd zijn de kinderen. Dat besef je heel sterk als je zelf vader of moeder wordt,
en misschien nog wel sterker als je als opa of oma voor het eerst, vol verwondering, een pasgeboren kleinkind in je handen houdt. Kinderen zijn onze toekomst, ze belichamen onze hoop. Heel wat ouders hopen dat hun eigen, onvervulde dromen
door hun kinderen werkelijkheid worden gemaakt. Of dat laatste nu wel zo verstandig is laten we nu maar in het midden,
maar een samenleving die zijn kinderen verwaarloost, zet de toekomst op het spel, daar zijn we het vast over eens.
Toch gebeurt het en ik denk niet alleen in barre, oude tijden, dat kinderen worden opgeofferd. Geofferd op het altaar van goden
die de menselijke angst verbeelden: de angst om te verliezen wat je nu hebt. Vroeger waren die er in elk geval zeker: tijden waarin de angst alles te verliezen zo groot was, dat men zelfs zijn kinderen offerde, letterlijk. En dus de toekomst op het spel zette, ter wille van het heden. Het vreemde maar toch ook ze mooie verhaal uit 2 Koningen 4 laat ons zien dat angst niet nodig is, dat de goden van de angst geen toekomst bieden en dat er een heel andere God is, een God van liefde bij wie de kinderen in het midden staan en die daarom de toekomst waarborgt.
 Als je het buiten zijn context leest, is het een vreemd verhaal. Een profeet die bij een kennelijk welgesteld echtpaar een speciale kamer heeft; die de tot dan kinderloze vrouw een kind belooft terwijl haar man oud is, en die, als dat kind, een zoon, jaren later sterft, de dode jongen op een vreemde manier- zacht uitgedrukt, weer doet opstaan om te gaan leven. Wat moet je nu met zo’n verhaal zou je denken, zoiets kan in werkelijkheid toch niet gebeurd zijn? Maar als je weet in welke context dit verhaal staat, wordt het anders. Het laatste vers van hoofdstuk 3, er vlak vóór dus, vertelt namelijk precies de keiharde werkelijkheid van die dagen: Israël is in oorlog met Moab en het belegert de laatste stad die nog in handen is van de koning van Moab. Die neemt dan, in doodsangst, zijn oudste zoon, de beoogde troonopvolger, en offert hem als brandoffer boven op de stadsmuur, zodat Israël het ziet. Dat wekte zoveel ontzetting bij de Israëlieten, staat er dan in het laatste vers, dat ze de aanval staken en naar hun eigen land terugkeren. Een kinderoffer op het altaar van de goden van de angst, de angst allemáál door de vijand te worden afgeslacht.
En het werkt kennelijk ook nog, gezien de aftocht van Israël…. Dat is de wrede werkelijkheid van die dagen: kinderoffers.
En meteen hierna volgt dan het relaas van die dwaze, vertwijfelde, maar vastberaden moeder, die alle angst voorbij is
en maar één ding voor ogen heeft: het leven van haar kind. En als er ergens duidelijk moet worden wat het verschil is tussen de ENE, de God van Israël en de goden van rondom, dan is het dus wel hier. Nu is er een bijkomstigheid. In de Joodse traditie wordt er altijd eerst een hoofdstuk gelezen uit de Thora, uit de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse bijbel dus omdat daarin de kern is verwoord van wat Gods bedoelingen zijn. Vervolgens wordt er dan een hoofdstuk gelezen uit een profetenboek waarin hetzelfde tot uitdrukking komt als datgene waarom het ging in de eerste lezing, de Thoralezing.
Die twee lezingen horen dus bij elkaar. Nu vormt dit profetenverhaal van Elisa en de Sunamitische in die Joodse traditie een vast koppel met het bekende verhaal uit Genesis 22. En Genesis 22 gaat over de binding van Isaäk door Abraham. U weet wel: Abraham moet zijn zoon meenemen naar het gebergte Moria om hem daar te offeren. Zoals te doen gebruikelijk in die dagen. Maar net als hij het mes opheft om de jongen te doden, komt de stem van God: Abraham, Abraham! Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Waarom dat zo verteld wordt? Om aan te geven dat de God van Abraham een totaal andere God is dan de goden van de volkeren rondom. Dat deze God juist géén kinderoffers wil, pertinent niet. Er is boven gezet door de vertalers: Abraham op de proef gesteld. Jammer. Abrahams trouw aan God wordt helemaal niet op de proef gesteld. Abraham en met hem heel Israël wordt een uiterst belangwekkende les geleerd:
géén kinderoffers in Israël want Israëls God is de god van het léven en niet dus een god van de angst, zoals de meesten. 2 Koningen vier versterkt dus de lijn die in Genesis 22 al was uitgezet. Het is bedoeld als een soort van verhalend commentaar daarbij. Je zou die verhalen eens na elkaar moeten lezen! In kwade tijden, als de Thora, als de boeken van Mozes verboden lectuur waren gaven die profetenverhalen, die dan nog wél mochten worden gelezen, toch precies aan wat het volk in gedachtenis moest houden: geen kinderoffers! Een volk dat zijn kinderen op het spel zet, heeft geen toekomst. Nu is het opvallend dat in de wereld waar de ENE, de god van Israël opereert, dat het daar nogal eens voorkomt dat moeders opstaan en verhaal gaan halen. Dat kán bij die God namelijk, de God van het leven. Bij de goden van de angst hebben vrouwen en kinderen geen schijn van kans. Daar zijn het de mannen die de dienst volledig uitmaken. Deze goden staan ver van de mensen, ze zijn kwaadaardig. Ze eisen genoegdoening, moeten met bloed tevreden worden gesteld. Je hebt je maar te schikken in je lot, opstand is niet mogelijk. Maar in Israël ligt dat anders omdat Israëls God anders is. Hij is de God die het leven geeft en die het behoedt, zoveel Hij kan. Daarom hebben de niet-machtigen bij deze God een kans. En komen ze op, deze moeders van Israël, voor hun kinderen, voor hun recht. Hij is niet ver weg, hun God, maar dichtbij, je kunt Hem aanspreken op zijn levenwekkende kracht. Op zijn gerechtigheid ook, want waarom geeft Hij leven als het niet kan uitgroeien en tot bloei komen?
Waarom opent Hij voor de Sunamitische eerst de toekomst als die later voortijdig weer wordt afgebroken met het overlijden van haar zoon?
Dat is voor deze moeder onverteerbaar.
En dat mág voor haar ook onverteerbaar zijn!
Juist dáárom is dit verhaal geschreven: omdat je bij Israëls God niet bang hoeft te zijn voor die vreselijke behoefte aan het bloed van kinderen, zoals dat het geval is, nogmaals, in de godenwereld van rondom. Nee, je kunt Hem aanspreken op zijn liefde voor mensen en Hij heeft op aarde een postbus, een adres, zijn profeet, zijn messias. Niet om daar al je briefjes met verlangens maar te droppen, want deze God is geen bovennatuurlijke tovenaar, die met zijn magische toverstok zwaait en iedereen wordt genezen.
Tussen de regels door merk je wel dat dat niet zo maar even gaat, mensen genezen en ze weer opnieuw doen leven.
Elisa moet er eerst met de haren worden bijgesleept zo lijkt het wel en ook Jezus kost het verschrikkelijk veel energie, al dat helende werk. Niet voor niets moet hij steeds weer de berg op om te bidden, om weer een beetje op krachten te komen en dan nog kan Hij niet alles. En ook in het bijbelgedeelte uit Markus, dat gelezen is, wil Hij niet weer terug naar al die mensen. Nee, hij gaat liever uit preken in naburige dorpen, zo zegt Hij zelf, dan dat Hij iedereen maar moet blijven genezen….
Dat zegt iets over de manier waarop de God van Elisa en Jezus werkt. Zijn mensen géven zichzelf. Elisa en Jezus. Zijn mensen delen van zichzelf uit, van hun kracht. Zij offeren zich desnoods op in plaats van dat ze offers vrágen. Je kunt het ook omdraaien: waar mensen iets, al is het maar weinig- maar waar mensen iets géven van zichzelf, uit liefde voor mensen en om niet, dáár is de God van de bijbel aan het werk. En waar ze bang zijn te verliezen wat ze hebben en het mooiste en kwetsbaarste wat ze hebben opofferen omwille van hun eigen gemak, hun eigen directe genoegens, hun welvaart en weelde nú, daar dienen ze de goden van de angst. En daar is geen toekomst. Misschien denkt u: ach, kinderoffers worden toch niet meer gebracht? Zulke barbaarse praktijken hebben we toch al lang achter ons gelaten? Ik weet het niet. Eigenlijk ben ik daar helemaal niet zo zeker van, weet u.
Volgens mij gebeurt het nog dagelijks en op grote schaal. Ja natuurlijk, op andere manieren. Manieren die je misschien niet zo gauw in verband zou brengen met die vreselijke praktijken van toentertijd. Je moet dan misschien de vraag stellen: welke kinderen, of breder: welke kwetsbare mensenkinderen worden in onze wereld van vandaag nog opgeofferd ter wille van de directe, momentane genoegens van anderen? 
Mag ik een paar akelige voorbeelden noemen, eenvoudig aan te vullen: 
Middelbare school-meisjes die in Oost-Europa worden gelokt met mooie baantjes in het westen, maar misleid en mishandeld worden en uiteindelijk gedwongen worden tot prostitutie, is daar dan geen sprake van het opofferen van kinderen?
En wat te denken van kinderen van zes tot tien, twaalf jaar, in India en Pakistan die in plaats van naar school te gaan lange dagen maken in de textielindustrie om onze goedkope kleding te fabriceren, totdat hun vingers letterlijk helemaal zijn afgestompt,
is dat in feite ook niet barbaars? En ik weet dat het heel gevoelig ligt en u hoeft het niet met me eens te zijn, maar wat zijn we aan het doen we als we kinderen die geheel geworteld zijn in onze samenleving terugsturen naar het land van herkomst, alleen omdat wij bang zijn overspoeld te worden met asielzoekers. Offeren we deze kinderen dan ook niet op voor onze welvaart nu en de angst die te gaan verliezen? Ik vraag maar ….
Om nog maar helemaal niet te spreken over het misbruiken en mishandelen van kinderen, binnen en buiten de kerk, alleen voor het eigen wanstaltige genot….
Een kerk, een samenleving die zó handelt met zijn kinderen, zet niet alleen de toekomst van zulke kinderen, maar ook zijn eigen voortbestaan op het spel, zegt de bijbel, als ik het goed zie. Ik weet dus niet of men vroeger wel zoveel barbaarser was dan nu.
Immers, als er ooit een tijd is geweest waarin vrijwel alleen het ‘nu’ telt, het ‘nu’ van geld en goed en van genot, en de angst om dat allemaal kwijt te raken, dan is het wel onze tijd, denk ik.
Gelukkig leeft de God van Israël nog altijd. Overal op aarde heeft Hij zijn dienaren, zijn profeten. Mensen die van zichzelf uitdelen en die niets terug ontvangen. Je vindt ze binnen en buiten de kerk en soms moet je even zoeken. Maar vanwege die God het is de moeite waard in de benen te komen en op te staan. Samen met de Sunamitische en al die andere dwaze moeders die overal ter wereld schreeuwen om recht voor hun kinderen. Zij houden de toekomst open, in Gods Naam. En de verhalen uit de bijbel zullen vast mooier zijn geworden dan dat wat er in werkelijkheid is gebeurd bij Jezus en bij Elisa.
En het is zeker niet zo dat alle moeders ook antwoord krijgen. Er zijn er die hun leven lang blijven roepen om recht voor hun kind.
En dan nog geen antwoord krijgen op hun vragen. Aan ons als gemeente, als lichaam van Christus, wordt gevraagd in hoeverre wij het roepen van deze dwaze moeders en andere kleine mensen horen, en náást hen staan, ook als er geen terugkeer mogelijk is en zo ook metterdaad iets van onszelf durven geven. Om niet.
Want zoals in Christus en in Elisa, zo wil onze God zichtbaar aanwezig blijven.
En zo zál Hij aanwezig zijn is ons geloof.
Om de toekomst open te houden.
Zo moge het zijn.